Dit is geen beeld van een engel.
Dit is een afdruk van een worsteling.

Het herinnert in eerste plaats niet aan een zegen,
maar aan een nacht.

Een nacht waarin God niet sprak,
niet uitlegde,
of geruststelde.

Maar greep.

Lichaam tegen lichaam.
Geen afstand. Geen symboliek.
Zweet, hijgende adem, weerstand.

Dit is een worsteling
waarin niemand wint
en niemand ontsnapt.

Jakob vocht met God.
Gods vingers waren niet voorzichtig.
Ze zochten geen toestemming.
Ze vonden een lichaam
en lieten daar hun spoor achter.

Niet als wond,
maar als een verlegging:
een heup die niet meer is zoals hij was.
Een lichaam dat voortaan anders draagt,
anders staat,
anders gaat.

Jakob werd niet genezen die nacht.
Hij werd getekend.

Gaat hinkend verder door het leven.
Toch blijft Jakob blijft lopen -
met God.

Dit is geen beeld van een engel.
Dit is een afdruk van God die niet losliet.

Dit beeld wil aangeraakt worden,
omdat het lichaam herkent
wat hier gebeurd is.

Geen troost.
Geen harmonie.
Maar waarheid die zo dichtbij kwam
dat zij vorm achterliet.

En wie dit beeld vasthoudt in zijn handen,
voelt misschien wat Jakob voelde:

dat heiligheid soms niet zacht is,
maar blijvend.
Terug Naar Boven